Menu
Mexicaanse griep

Seizoensgriep

Life-style advies

Slaapproblemen

Reisapotheek

Malariapreventie

Vliegtuigreis

Reizigersdiarre of Turista

Autoreizen\reisziekte

Hitte(slag)

Hoogteziekte

Anticonceptiepil

Gynaecologisch onderzoek

Tetanusvaccinatie volwassenen

naar begin

Mexicaanse Griep   naar begin

De symptomen van de Mexicaanse griep zijn vergelijkbaar met de symptomen van de gewone seizoensgriep: plotse koorts (meer dan 38°C), spier- of gewrichtspijn, vermoeidheid, hoesten, niezen, diarree en zich onwel voelen. Mensen zijn het meest besmettelijk vlak nadat ze de symptomen hebben ontwikkeld. Het is aangewezen thuis te blijven zodra je symptomen begint te vertonen, en ook thuis uit te zieken. Als je toestand erger wordt, raadpleeg dan je huisarts. Indien u sinds 7 dagen terug bent van een reis, vergeet dan niet om hem of haar in te lichten over de plaats en periode van uw reis. Uw arts werd door het interministerieel Comissariaat Influenza geïnformeerd over de te volgen procedure en is het best geplaatst om te oordelen of u mogelijk een besmetting heeft opgelopen. Vermijd contact met anderen tot de arts u onderzocht heeft.

Om besmetting met de griep te voorkomen, is het aangeraden om een aantal basishygiëne regels te volgen zoals dat ook in de winter bij de seizoensgriep het geval is:

  • vermijd contact met personen die zichtbaar ziek zijn en bewaar zoveel als mogelijk afstand

  • was uw handen regelmatig met water en zeep. Producten om de handen te wassen op basis van alcohol kunnen ook doeltreffend zijn. Vermijd zoveel mogelijk om uw ogen, neus of mond aan te raken. Ziektekiemen verspreiden zich vaak als iemand iets besmet aanraakt en daarna zijn ogen, neus of mond aanraakt.

  • Bent u zelf ziek en hoest of niest u, bedek dan uw mond en neus met een papieren zakdoek . Gooi na gebruik deze zakdoek weg in een vuilnisbak. Was na het niezen of hoesten steeds grondig uw handen om te vermijden dat u ziektekiemen overdraagt op anderen.

  • Het pakken van mondmaskertjes in uw reiskoffer is volstrekt overbodig. Deze maskertjes beschremen niet tegen besmetting en zijn enkel nuttig indien een zieke ze draagt om de directe omgeving te beschermen.

Net zoals bij de wintergriep, geneest ook deze griep meestal spontaan en volstaat het om rust te nemen, voldoende te drinken, gezond te eten en eventueel een koortswerend- of pijnstillend geneesmiddel in te nemen. Het preventief innemen van antivirale middelen wordt sterk afgeraden!

Meer info vindt u op www.influenza.be


Seizoensgriep   naar begin

Vaccinatieperiode: Jaarlijks tussen half oktober tot half november.

Seizoensgriep is de jaarlijks opduikende wintergriep bij mensen. Dit is een virale infectie van de luchtwegen. Het virus wordt overgedragen via het inademen van microscopisch kleine speekseldruppeltjes (bijvoorbeeld via hoesten, praten, niezen of lachen) of via besmette handen. Een griep is geen verkoudheid. De ziekte komt voort uit besmetting met de gewone, bekende influenzavirussen. Die virussen veranderen elk jaar, en dus is er elk jaar ook een nieuw vaccin nodig. Het is de Wereldgezondheidsorganisatie die elk jaar weer de nieuwe samenstelling voor het vaccin aanbeveelt.

Voor wie is vaccinatie belangrijk?

Groep 1

  • personen met verhoogd risico op complicaties
  • personen ouder dan 65 jaar
  • personen die in een instelling verblijven
  • patiënten vanaf de leeftijd van zes maanden met bepaalde onderliggende chronische ziekten (hart-, long-, nier-, of leverziekten, metabole ziekten zoals diabetes) en mensen met een verminderde immuniteit, al dan niet door medicatie
  • kinderen tussen 6 maanden en 18 jaar die langdurig met aspirine behandeld worden

Groep 2

  • medisch en verzorgend personeel dat in contact komt met personen met verhoogd risico

Groep 3

  • zwangere vrouwen die in het tweede of derde trimester van hun zwangerschap zijn op het ogenblik van de vaccinatie

Groep 4

  • alle personen tussen 50 en 64 jaar, zelfs indien ze niet aan een risicoaandoening lijden. Er is immers één kans op de drie dat ze ten minste één complicatierisico vertonen, vooral bij personen die roken, excessief drinken en zwaarlijvig zijn.

Groep 5

Als zich in België een gelijktijdige circulatie van het vogelgriepvirus en van de menselijke seizoensgebonden griep zou voordoen, zal de vaccinatie tegen seizoensgebonden griep aan de volgende beroepsgroepen worden aangeboden (om het risico te vermijden dat het vogelgriepvirus zou veranderen en van mens op mens overdraagbaar zou worden):

  • professionele gevogelte- en varkenskwekers en hun gezinsleden die onder hetzelfde dak wonen
  • andere personen die door hun beroep in contact komen met levend gevogelte of levende varkens
Opgelet: het jaarlijkse griepvaccin beschermt niet tegen de vogelgriep.

Hoe kan ik me laten vaccineren?
Vraag tijdig een voorschrift tijdens de raadpleging bij je arts.
Haal het vaccin bij de apotheker.
Bewaar het meteen in het groentevak van je koelkast, anders wordt het waardeloos.
Laat je vaccineren tussen begin oktober en begin december.

Waarom je laten vaccineren?
De vaccinatie verkleint de kans dat je ziek wordt. Indien je toch griep krijgt (wat best mogelijk is) zal de infectie meestal milder verlopen. De kans op complicaties (en soms overlijden) ten gevolge van een griepinfectie wordt sterk verminderd

Hoe werkt een griepvaccin?
Een tweetal weken na de vaccinatie heeft het lichaam beschermende antistoffen gemaakt. Als u dan in aanraking komt met het griepvirus wordt dit geneutraliseerd door deze antistoffen.

Nadelen?
Soms kan een pijnlijke, rode zwelling optreden rondom de injectieplaats in de bovenarm. In heel zeldzame gevallen is er een allergische reactie. Daarom dient gevaccineerd te worden in het bijzijn van een arts.

Wie mag zeker niet gevaccineerd worden tegen de griep?
Mensen die allergisch zijn aan kippeneiwit en mensen die zeer heftig hebben gereageerd op een vorige griepvaccinatie mogen niet opnieuw worden gevaccineerd.


Life-style advies   naar begin

Zorg voor EVENWICHT, MATE en VARIATIE.

De bekende voedingsdriehoek is een laag rijker: de beweeglaag. Er kwam immers steeds meer wetenschappelijk bewijs dat het bevorderen van evenwichtig eten hand in hand moet gaan met het bevorderen van regelmatig bewegen.

De vermelde tekeningen in de beweeglaag zijn dagelijks aanbevolen beweegactiviteiten zoals fietsen, stevig doorstappen, traplopen, zwemmen, dansen en balsporten, in deze volgorde. Er worden dus inspanningen bedoeld met een matige intensiteit of inspanningen waarbij je hartfrequentie stijgt, je ademhaling iets sneller gaat dan normaal en waarbij je licht zweet. Voor een goede gezondheid moeten volwassenen dagelijks minstens 30 minuten per dag lichaamsbeweging nemen. Dit mag verspreid worden over de dag, bijvoorbeeld door tweemaal 15 minuten te bewegen. Voor kinderen en jongeren luidt de aanbeveling om minstens 60 minuten per dag lichaamsbeweging te nemen. Kies voor activiteiten die passen in je dagelijkse bezigheden zoals fietsen, stevig doorstappen, zwemmen, dansen, met de bal spelen, de trap nemen of een sport die je graag doet. Allemaal activiteiten die je gemakkelijk in het dagelijkse leven kan inpassen en die je gezondheid bevorderen. Ben je ouder dan 35 jaar, sinds lange tijd inactief, of heb je gezondheidsproblemen, raadpleeg dan even je huisarts voor je intensief begint te sporten.

Door de beweeglaag direct onder de watergroep af te beelden, zonder een spatie te laten, wordt direct de boodschap meegegeven dat deze groep dagelijks essentieel is. De zes gekozen tekeningen stellen een matige intensieve activiteit voor omdat juist deze matig intense activiteiten de gezondheid bevorderen.

De voedingsdriehoek bestaat uit 7 groepen die elk hun aandeel leveren in de samenstelling van een gezonde dagvoeding. Enkel het topje van de driehoek is niet noodzakelijk. Elke groep moet dagelijks en gevarieerd aan bod komen en dit volgens de aangegeven verhouding. De grootte van de voedingsmiddelengroepen toont dus ook de ideale portieverhouding tussen de groepen aan.

Water

Zo vaak mogelijk.

Water is een levensbelangrijke voedingsstof. Ons lichaam bestaat immers voor 60% uit water. Het lichaam van een man bevat meer water dan dat van een vrouw. Met het ouder worden vermindert het aandeel van water tot 55% van het lichaamsgewicht voor een man en 46% voor een vrouw.

Wat?
We moeten drinkwater drinken. Natuurlijk mineraalwater is rijk aan calcium en arm aan natrium. De keuze tussen plat water en spuitwater hangt af van onze smaak en hoe goed we het verteren. Thee en koffie moeten met mate worden gedronken wegens de aanwezigheid van cafeïne en theïne. Drink je vruchtensappen, let dan op voor de suikers, drink je bereide groentesappen, let dan op voor het zout.

Hoeveel?
De klassieke regel luidt dat je elke dag gemiddeld 1,5 liter moet drinken. Dat varieert echter van persoon tot persoon en van situatie tot situatie. Hoe warmer het is, hoe meer je aan lichaamsbeweging doet, des te meer je moet drinken. In bijzondere situaties zoals een indigestie, diarree, het nemen van geneesmiddelen, moet je meer drinken.

Hoe?
Je moet drinken telkens als je dorst krijgt. Met het ouder worden moet je zelfs drinken als je geen dorst hebt (de dorstreflex verzwakt met de leeftijd). Om je lichaam het goed te laten opnemen, drink je water dat niet te koud of te warm is, met kleine slokjes buiten de maaltijden. Als je tijdens de maaltijden water drinkt, zorg dan dat het de voeding niet vervangt. Drink daarom met mate wanneer je lichte honger hebt.

Goed om te weten
Melk, soepen en softdrinks worden beschouwd als voedingsmiddelen en niet als dranken.

Zetmeelhouders

Om energie op te doen. .

Zetmeelhouders zijn voedingsmiddelen die zich vooral onderscheiden door de aanwezigheid van complexe koolhydraten zoals zetmeel, een bron van energie, en niet verteerbare polysachariden zoals cellulose, hemicellulosen en pectinen die niet worden verteerd, maar onmisbaar zijn als voedingsvezels.

Wat?
Diverse broodsoorten, rijst, pasta, droge groenten, aardappelen, granen die zijn verwerkt in gries, in havergort, in boulghour, in meel.

Hoeveel?
De voedingsmiddelen van deze grote familie moeten meer dan de helft van de energie leveren die wij dagelijks nodig hebben. Ze moeten deel uitmaken van elke maaltijd.

Hoe?
Zetmeelhouders moet je eten bij elke maaltijd en ze moeten het grootste aandeel hebben in de maaltijden. Verkies bij het ontbijt volkorenbrood, meergranenbrood en muesli zonder toegevoegde suiker. Kies bij de hoofd- en tussenmaaltijd voor vaste aardappelen natuur of in de schil. Eet bruine of volle rijst, net als grijze pasta al dente en droge groenten zoals linzen en witte bonen.

Goed om te weten.
Veel bereidingen van granen, onder meer sommige ontbijtgranen, zijn te zoet en/of te vet. Verwar aardappelen natuur niet met frieten en chips, die zijn veel vetter. Stel koffiekoeken niet gelijk met brood, want ze bevatten meer verzadigde vetten en geraffineerde suiker.

Groenten en Fruit

Groenten: beperk u niet

Groenten worden gekenmerkt door een lage energiedichtheid, wat betekent dat ze weinig calorieën leveren. Ze zijn echter heel interessant, want ze bevatten voedingsvezels, water, mineralen en vitaminen. Ze hebben een hoge voedingsdensiteit.

Wat?
In deze kleurrijke (verkies de felst gekleurde gele, rode, oranje, paarse, groene groenten) en geurige familie vind je alle verse groenten en aromatische kruiden. Daarbij komen nog de diepgevroren en niet bereide ingeblikte groenten.

Hoeveel?
Groenten moet je 's middags en 's avonds eten in de vorm van minimum één portie soep plus een ruime portie gekookte groenten en een portie rauwe groenten. Als er geen soep is, kies dan 2 porties gekookte groenten. Door het lage caloriegehalte is het sterk aanbevolen er meer te eten.

Hoe?
Bereid versneden groenten op vele verschillende manieren. Maak ze apart klaar of in combinatie met andere groenten of zetmeelhouders. Breng zoveel mogelijk afwisseling in salades van rauwe en gekookte groenten, door ze zelfs te mengen met fruit. Eet groenten uit het vuistje, bij het aperitief en in eigen nat. Presenteer gezeefde soepen of met gesneden groenten, warm of koud.

Goed om te weten.
Verwar een portie gestoomde, gekookte groenten niet met een gratin vol saus en kaas of met groentebeignets. Geef de voorkeur aan seizoengroenten.

Fruit: in overvloed. .

Verse vruchten hebben een hoge voedingsdensiteit, wat betekent dat ze rijk zijn aan mineralen, vitaminen, water en voedingsvezels. Het verschil met groenten is dat ze meer suikers kunnen bevatten (van nature aanwezige glucose, fructose en sacharose).

Wat?
In deze grote familie vind je alle verse vruchten uit de Europese culturen, maar ook alle exotische vruchten. In natuurlijke toestand en als ze mooi rijp zijn, leveren ze ons de meeste vitaminen en anti-oxidantia.

Hoeveel?
Eet 2 tot 3 vruchten per dag, na de maaltijd of als tussendoortje.

Hoe?
Je kan ze op elk ogenblik van de dag en bij alle maaltijden eten. Wanneer de schil eetbaar is, was dan de vruchten en eet ze met de schil. Eet in de loop van eenzelfde dag verschillende vruchten en geef de voorkeur aan seizoenvruchten. Vruchtensap zonder toegevoegde suiker kan één vrucht vervangen, maar niet alle vruchten van de dag.

Goed om te weten.
Let op voor droge vruchten die veel meer natuurlijke suikers bevatten en voor oliehoudende vruchten die heel rijk zijn aan vetten (meer dan 50%). Vruchten die zijn verwerkt tot moes, vruchten in blik, jam en confituur zorgen voor afwisseling, maar kunnen meer calorieën bevatten door de toevoeging van wisselende hoeveelheden suiker. Raadpleeg de etiketten !

Melkproducten (en calciumverrijkte sojaproducten)

Een natuurlijke bron van calcium

De voedingsmiddelen uit deze familie hebben, naast heel wat dieetkwaliteiten, 2 belangrijke voedingseigenschappen, namelijk dat ze calcium en eiwitten van goede kwaliteit bevatten.

Wat?
Melk voert de familie aan. Daarnaast zijn er echter nog alle afgeleide producten, zoals natuur- of gearomatiseerde yoghurt, verse kazen en kazen met zacht en hard zuivel.

Hoeveel?
Om aan je beenderen en tanden de nodige hoeveelheid calcium te leveren, moet je elke dag 2 tot 3 porties melkproducten gebruiken. Je kan ze eten bij alle maaltijden en zelfs als tussendoortje.

Hoe?
Verkies melk, gefermenteerde melk zoals yoghurt en verse kazen omdat die meer water en minder calorieën bevatten. Als je kiest voor producten met vruchten of met chocoladesmaak, neem dan minder zoete producten. Geef de voorkeur aan halfvette producten. Wissel de verschillende voedingsmiddelen van deze familie dagelijks af, bijvoorbeeld : melk met granen, een fruityoghurt als dessert en emmentaler bij spaghetti.

Goed om te weten.
Kaas kan heel vet zijn, lees dus goed de aanduiding : vetten/droge stof. Hoe meer water het product bevat, hoe lager het caloriegehalte, zelfs bij eenzelfde % vet : een petit-suisse met 40% vet / droge stof komt overeen met 8 g vetten voor 100 g eetbaar deel, terwijl een brie met 40% vet / droge stof overeenkomt met 22 g vetten voor 100 g eetbaar deel.

Vlees, gevogelte, vis en eieren

Varieer je eiwitbronnen

Vlees, gevogelte, vis en eieren bevatten goede eiwitten maken daarom deel uit van dezelfde familie. Eiwitten zijn onmisbaar voor de groei, het weefselherstel en het immuniteitssysteem. Hun aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) bedraagt 1 gram per kilogram lichaamsgewicht. Een persoon die 70 kg weegt, moet dus 70 g eiwitten per dag opnemen. Voedingsstoffen uit deze familie bevatten niet alleen veel eiwitten, ze zijn ook de voornaamste bron van mineralen en vitamines. Zo leveren ze 1/3 van de aanbevolen hoeveelheid ijzer - een belangrijk spoorelement dat te vaak ontbreekt in onze voeding - en de volledige aanbevolen hoeveelheid vitamine B12, die onder meer de vorming van rode bloedlichaampjes bevordert.

Wat?

Vlees: Vlees is een bron van goede eiwitten omdat het alle essentiële aminozuren bevat waarmee we onze eigen eiwitten aanmaken. Zo is er mager (< 10% vet) en vet vlees (tot 30 % vet). Dat laatste eten we dus het best met mate.

Gevogelte: In deze familie horen niet alleen kippen en kalkoenen thuis, maar ook konijnen, eenden, kwartels, struisvogels, ganzen,... Gevogelte is even rijk aan eiwitten als vlees en is mager. Alleen bevat het meer (onverzadigde) 'goede vetten' dan vlees. Het bevat dezelfde mineralen en vitamines als vlees, maar in kleinere hoeveelheden, zoals ijzer bijvoorbeeld.

Wist je dit? Vlees bevat weinig vet. Bovendien is bijna de helft van de vetten gezond (enkelvoudig en meervoudig onverzadigd). 'Slechte vetten' vind je in het zichtbare gedeelte van het vet (spek, zwoerd...) en kunnen dus gemakkelijk worden verwijderd. Hetzelfde geldt voor gevogelte. Overtollige vetten kan je verwijderen door het vel weg te nemen!

Vis: Vis bevat evenveel eiwitten als vlees, maar is minder vettig. Bovendien is het een bron van essentiële en heilzame omega 3-vetzuren.

Eieren: In kleine hoeveelheden gebruikt, doen eieren de cholesterol niet spectaculair stijgen. Wel zijn ze rijk aan vitamines A, D, E en K en bevatten ze ijzer, fosfor, jodium en selenium (de antioxidant bij uitstek).

En bij een eiwitgebrek? Het lichaam slaat niet alleen eiwitten op, maar verwijdert ook het overschot. Een normale voeding voldoet ruimschoots aan onze behoeften. Een onevenwichtige voeding - zonder dierlijke eiwitten - of een streng dieet kunnen het lichaam kwetsbaar maken, onze weerstand tegen infecties aantasten en de spiermassa aanzienlijk verminderen. *1 portie = 100 à 150 g vlees, gevogelte of wild.

En wat met vegetarische diëten? Hoewel vegetarische diëten niet echt evenwichtig zijn, veroorzaken ze geen tekorten. Een vegetarische voeding sluit melkproducten en eieren immers niet uit en door genoeg peulvruchten, groenten en zetmeelhouders te eten, kan je een ijzertekort compenseren. Je houdt daarmee dus het best rekening in je voeding. Ook vleesvervangers zoals tofu, seitan, tempeh en quorn bevatten voldoende ijzer.

Hoeveel?

Om voldoende goede eiwitten op te nemen, stellen wij 100 tot 150 g vlees, vis, gevogelte en eieren per dag voor, rekening houdend met het aandeel van charcuterie. Dat is minder dan wat we gewoonlijk doen, maar door diverse bereidingen af te wisselen, is dat gemiddeld een redelijk streefdoel.

Hoe?

Stel vlees, vis, gevogelte en eieren ofwel 's middags, ofwel 's avonds voor. Wissel af, bijvoorbeeld 2x vis, 2x gevogelte, 1x gehakt, 1x wit vlees, 1x rood vlees op 7 dagen. Vlees kan worden vervangen door bijvoorbeeld quorn, eieren en granen. Deze aanpak staat garant voor de aanvoer van eiwitten en voor een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in de vetten. Verkies een klein stuk van heel goede kwaliteit boven een groot stuk van matige kwaliteit !

Goed om te weten

Vleeswaren kunnen veel eiwitten bevatten en mager zijn, zoals filet d'anvers, gekookte ham en kalkoenham, maar terrines, worsten en pensen zijn erg vette producten. Let op voor gepaneerde producten zoals fishsticks, gevogelteburgers. want die zijn na het bakken heel vet.

Ijzer in vlees, gevogelte en wild

IJzer is het interessantste spoorelement in beenhouwerijproducten. Het lichaam heeft ijzer nodig om zuurstof naar de cellen te brengen. IJzer komt vooral voor in producten uit de VGVE-familie, maar ook in plantaardige producten, zoals gedroogde vruchten, granen en ontbijtgranen, groene vruchten, bladgroenten en peulvruchten. We moeten regelmatig vlees, gevogelte of wild eten om aan onze ijzerbehoefte te voldoen. Voor mannen bedraagt de ADH ijzer 9 mg, bij vrouwen is dat 8 mg. Vooral kinderen, zwangere vrouwen, vegetariërs en veganisten, ongestelde vrouwen en bejaarden lopen het risico van een ijzertekort. Vlees, gevogelte, wild: de belangrijkste ijzerbronnen IJzer komt het meest voor in wild, dan in vlees en tot slot in gevogelte. Hoe roder en donkerder het vlees, hoe meer ijzer. Dat verklaart waarom wit vlees zoals gevogelte, varkens- of kalfsvlees minder ijzer bevat. Gemiddeld levert 1 portie vlees 1/3 van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Voorbeelden: 100 g hindesteak levert 50 % van de ADH ijzer. 100 g lamsbout levert 25 % van de ADH ijzer voor mannen en 30 % voor vrouwen. 100 g filet americain levert 15 % van de ADH ijzer voor mannen en 20 % voor vrouwen. 100 g varkenskoteletten levert 10 % van de ADH ijzer. 100 g kippenbout/filet levert 10 % van de ADH ijzer. 100 g kalkoengebraad levert 8 % van de ADH ijzer.

Hoe voldoen aan onze ijzerbehoefte?

De ene vleessoort voldoet op een andere manier aan de ijzerbehoefte dan de andere. (Voorbeelden vindt u hieronder) Een eiwitbron (vlees, gevogelte, wild) levert gemiddeld 30 % van de ADH ijzer. Om die ADH dagelijks te bereiken, worden de volgende bijgerechten aanbevolen: zetmeelhouders: bruine rijst, aardappelen, volkorenbrood, wit brood 'groene' groenten: spinazie, broccoli, bonen, spruiten, groene kool, courgettes, erwten, witloof, champignons, prei, schorseneren, veldsla, waterkers... kruiden: basilicum, tuinkers, dragon, peterselie... peulvruchten: linzen, droge bonen, kikkererwten, spliterwten, soja... schaalvruchten: amandelen, noten... gedroogde vruchten: gedroogde abrikozen, vijgen... Een paar tips om de opgenomen hoeveelheid ijzer te verhogen: Voeg peulvruchten toe aan soep, sauzen (tomaten) of koude slaatjes. Voeg gedroogde vruchten toe aan uw ontbijtgranen, natuuryoghurt,... Schaalvruchten zoals noten zijn ideaal in slaatjes. Eet afwisselend ijzerrijke ontbijtgranen en volkorenbrood tijdens het ontbijt.

Vetgehalte van beenhouwerijproducten

Vlees: Kalfsvlees is het magerste vlees, dat van schapen en lammeren het vetste. De kwaliteit van het vet en de hoeveelheid variëren naargelang het ras, de leeftijd, de voeding en vooral ook van de stukken vlees! Van vlees wordt vaak gezegd dat het rijk is aan 'slecht vet', zoals verzadigde vetzuren en cholesterol. Nochtans is bijna de helft van de vetten in spierweefsels van goede kwaliteit (enkelvoudig en meervoudig onverzadigd). Slechte vetten vind je vooral in de rand, in het zichtbare vetgedeelte (spek, zwoerd...) en kunnen dus gemakkelijk worden verwijderd. Ook de bakwijze van het vlees kan bepalend zijn voor het vetgehalte. Je hebt niet meer dan een eetlepel vetstof of bakolie nodig om een stuk vlees te bakken. Vlees bevat veel minder cholesterol dan eieren, schaaldieren en orgaanvlees van dezelfde familie (VGVE).

Gevogelte: Het meeste gevogelte behoort tot de categorie 'mager vlees'. Hoe magerder het vlees, hoe meer meervoudig onverzadigde vetzuren en dus essentiële vetzuren het bevat. Opnieuw kan dat lage vetgehalte stijgen naargelang de bereiding. Je kan het ook nog doen dalen, door bijvoorbeeld het vel te verwijderen. Wild: Wild wordt minder gegeten, maar is daarom niet minder interessant. Het bevat immers weinig vetten (< 5 %), met uitzondering van de fazantenhen, die bijna 30 % vet bevat.

** Het vetgehalte is seizoensgebonden

Oliën en vetten

In kleine hoeveelheden

Oliën en vetten om te smeren en te bakken zijn een bron van energie en bevatten bovendien onmisbare voedingsstoffen zoals essentiële vetzuren en vitaminen A, E, D.

Wat?

Deze familie wordt gekenmerkt door boter, een verzadigde melkvetstof die cholesterol bevat. Daarnaast is er een hele waaier plantaardige vetten zonder cholesterol, met een wisselende energieconcentratie (25 tot 80% vetten) en vetten van wisselende kwaliteit, die afhankelijk van het merk meer of minder verzadigd zijn. Geef de voorkeur aan minder verzadigde en meer onverzadigde vetten zonder cholesterol. Daarbij komen nog de oliën, die per definitie plantaardig zijn, geen cholesterol bevatten en waarvan het gehalte aan enkel- en meervoudige onverzadigde vetzuren afhangt van de oorsprong.

Hoe?

Gebruik weinig vetten voor het smeren van de boterham en voor het bakken, en wissel dagelijks en in de loop der dagen producten van diverse oorsprong af. Verkies halfvolle producten zoals halfvolle boter en minarines op brood. Bak bij voorkeur met olijf-, arachide- of mono-onverzadigde zonnebloemolie (oleïsol).

Hoeveel?

Gebruik redelijke hoeveelheden. De vetten waarover wij praten, zijn immers zichtbare vetten. We mogen echter niet vergeten dat ook vetten verborgen zitten in vlees, vis, gevogelte, kaas, oliehoudende vruchten... Leer sausen maken op basis van sap van groenten, vinaigrettes met veel aromatische kruiden, light mayonaises...

Goed om te weten

Vetten bevatten essentiële voedingsstoffen, ze mogen dus niet ontbreken op ons bord. Verminder echter de doorgaans gebruikte hoeveelheden.

Suikerwaren

Met mate

Het topje van de voedingsdriehoek bevat DE RESTGROEP, een afzonderlijk 'zwevend' gedeelte waarin je alle voedingsmiddelen kunt plaatsen die strikt genomen niet nodig zijn in een evenwichtige voeding. Veel van deze voedingswaren zijn heel zoet en/of vet en moeten dus met mate worden verbruikt.

Wat?

We hebben het over chips, aperitiefhapjes, chocolade, pralines, snoep, karamellen, kauwgom, taarten, koekjes, limonade, vette sauzen.

Hoeveel?

In het kader van een afwisselende en gezonde voeding is alles een kwestie van frequentie en hoeveelheid. Een stukje chocolade met een kopje thee of koffie na een evenwichtige maaltijd kan absoluut geen kwaad. Chocolade is zelfs rijk aan ijzer, magnesium en biotine.

Goed om te weten

Heel wat voedingsmiddelen uit deze familie bestaan in een minder zoete of minder vette variant. Er bestaan namelijk calorievrije (intensieve zoetstoffen) en caloriearme (polyolen) suikervervangers. Op de verpakking vind je daarover alle nodige informatie.


Slaapproblemen   naar begin

Slaapcyclus

Slapen is een complex gebeuren waarvan zeker nog niet alle aspecten ontrafeld zijn. Sterk vereenvoudigd kan men een nacht onderverdelen in een 5-tal slaapperiodes of cycli van elk zo'n 90 minuten, die elkaar opvolgen. Elke cyclus bestaat uit twee stadia, twee soorten slaap: een rustige of trage slaap, gevolgd door een actieve of snelle slaap. Naarmate de nacht vordert, wordt het stadium van de `trage slaap' korter en dat van de `snelle slaap' langer.

Elk van die twee stadia wordt nog eens onderverdeeld in een aantal fasen.

  • In de rustige slaap of NREM-slaap (non-Rapid-Eye-Movement) onderscheidt men vier fasen.

    • Fase 1 duurt zowat één tot drie minuten en is de inslaapfase tijdens dewelke men een gevoel van in-een-put-vallen kan hebben. Na enkele minuten gaat men over in fase 2. De eerste fase is een lichte slaap waarin u nog heel gemakkelijk wakker wordt, we schommelen als het ware tussen waken en slapen in. Als iemand gedurende slaapstadium 1 wakker wordt gemaakt, herinnert deze persoon zich vaak gefragmenteerde visuele voorstellingen (een geheugen in beelden). Regelmatig worden in dit eerste stadium ook wat plotselinge spiertrekkingen gezien of zelfs gevoeld, meestal zijn dit spierschokjes in de benen, die in de medische wetenschap 'Myoclonus nocturnus' (letterlijk: nachtelijke spiersamentrekkingen) worden genoemd. Deze spierschokjes worden nogal eens voorafgegaan door de het gevoel van `vallen'. De bewegingen zijn vergelijkbaar met het `opspringen' als iemand je plotseling wat laat schrikken.
    • De wekdrempel verhoogt, maar men heeft nog niet het gevoel diep te slapen. Men kan nog reageren op uitwendige of inwendige prikkels (b.v. straatgeluiden of een kloppende deur, een hongergevoel...). Wanneer men in deze fase wordt gewekt, kan men de indruk hebben nog niet te hebben geslapen. De tweede fase houdt u in slaap en bereidt u voor op de diepere fasen die daarna komen.

    • Ongeveer een half uur na het inslapen wordt fase 3 bereikt. De ademhaling verloopt zeer regelmatig, het hartritme daalt, de spieren zijn totaal ontspannen en de slaap wordt steeds dieper.

    • Tenslotte komt men in fase 4, de echte diepe slaap die zorgt voor de fysieke recuperatie. Fase 3 en 4 samen worden ook wel de Slow-Wave-Sleep (SWS) of diepe slaap genoemd. De SWS of diepe slaap domineert grotendeels in de eerste helft van de nacht. Vanaf 40 jaar is er afname van de totale SWS, die bijna volledig verdwijnt op 70 jaar. Ook de REM-slaap vermindert met de leeftijd. Vandaar dat bejaarden inderdaad minder lang en vooral minder vast slapen. De twee fasen van de diepe slaap zorgen voor het opbouwen van energie voor de volgende dag. Het kost enige moeite om iemand in slaapstadium 3 of 4 wakker te maken. Deze stadia worden daardoor in de volksmond `de diepe slaap' genoemd. In deze slaapstadia worden er geen oogbewegingen of spieractiviteit waargenomen.. Wie in deze fase gewekt wordt, duurt het vaak even voor hij of zij `echt wakker' is en kan hij zich gedesoriënteerd of slaapdronken voelen. Kinderen hebben in de stadia 3 en 4 van de slaap wel eens last van bedplassen, nachtmerries of slaapwandelen.
  • De diepe slaap gaat over in de droomslaap of REM-slaap. De actieve slaap of REM-slaap (REM staat voor 'Rapid Eye Movement' en verwijst naar de snelle oogbewegingen tijdens deze fase van de slaap) begint ongeveer 1,5 uur (= 90 minuten) na het inslapen. Juist vóór en tijdens de REM-fase daalt de spierspanning nog meer, met tussenpozen treden er snelle bewegingen van groepen kleine spieren op. De geest is in deze fase heel actief. Ademhaling en hartslag zijn onregelmatig. Na deze fase wordt u gewoonlijk eventjes wakker. Meestal herinnert u zich dat 's morgens niet meer. Nadien begint de slaapcyclus opnieuw van voorafaan. Dromen doen zich vooral in deze fase voor, die daarom ook droomslaap of paradoxale slaap wordt genoemd (paradoxaal omdat de hersenactiviteit dan het grootst is, terwijl de spieren nagenoeg verlamd zijn). Deze REM-periode duurt ongeveer 10 minuten, maar naarmate de slaap vordert (in de tweede helft van de nacht), worden de REM-fasen langer. Vandaar dat de eerste uren van de slaap het meest verkwikkend zijn. Tegen de ochtend is de slaap lichter en bestaat deze bij de meeste mensen uit de slaap uit de stadia 1, 2 en de REM-slaap en wordt u gemakkelijker wakker van een voorbijrijdende auto, de buurman die naar zijn werk vertrekt, ... Na elke REM-slaapfase is er gewoonlijk een kort ontwaken (onbewust). Volwassenen bevinden zich ongeveer 50% van hun slaap in Slaapstadium 2, ongeveer 20% van de tijd in de REM-slaap en de resterende 30% in de andere stadia. Kinderen brengen ongeveer 50% van hun slaap door in de REM-slaap.

Hoeveel slapen?

Wie overdag kan functioneren zonder slaperig te worden, heeft voldoende geslapen. We slapen gemiddeld 2 uur minder dan 100 jaar geleden. Niet iedereen heeft even veel slaap nodig. Het gemiddelde ligt rond 8 u slaap per nacht. Kortslapers hebben genoeg met 6 uur slaap. Langslapers hebben dan weer 9 tot 10 uur slaap nodig om goed te functioneren. Ook de activiteiten overdag bepalen de slaapbehoefte. Wie een hele dag zware inspanningen levert, heeft een grotere slaapbehoefte dan een bedlegerige zieke. Minder gemakkelijk inslapen, een vaker onderbroken en oppervlakkigere slaap kenmerken het ouder worden. Senioren hebben met ongeveer 6 tot 6,5 uur slaap genoeg. Voor hen is het vaak nuttig om opnieuw 2 periodes per dag te slapen: een kort middagdutje en een langere periode 's nachts. Ochtendmensen staan 's morgens gemakkelijk vroeg op, maar hebben moeite om 's avonds lang wakker te blijven. De avondmensen daarentegen geraken 's morgens moeilijk uit bed en worden pas goed actief in de namiddag. Ze liggen zelden of nooit vóór middernacht in bed.

Waarom slapen?

De slaap:

  • zorgt voor lichamelijk en geestelijk herstel van de activiteiten van de voorbije dag; beïnvloedt de lichaamstemperatuur, het hart- en ademhalingsritme, de bloeddruk, de spierspanning, de hormoonafscheiding;
  • speelt ook een rol in het afweersysteem. Nachtenlang slecht slapen:
  • maakt prikkelbaar, lusteloos, humeurig;
  • verzwaart lichamelijke inspanningen;
  • zorgt voor concentratiestoornissen en geheugenproblemen;
  • verhoogt de kans op fouten en ongevallen;
  • vermindert de zin voor initiatief en het nemen van beslissingen;
  • maakt gevoeliger voor lichamelijke en psychische ziekte;
  • onderdrukt de immuunfuncties en maakt kwetsbaarder voor aanvallen van buitenaf zoals stress, negatieve invloed van geneesmiddelen, alcohol
  • leidt tot overgewicht omdat er minder van het hormoon leptine aangemaakt wordt dat het hongergevoel afremt.

Slecht slapen

Verschillende factoren kunnen aan de basis liggen van slecht slapen: leefstijlfactoren, bv. drukke levenswijze, slechte voorbereiding van de slaap, niet respecteren van het bioritme, te weinig lichaamsbeweging, stevige maaltijd, alcohol, koffie of thee na 17 uur;
storende omgevingsfactoren, bv. lawaai, licht, temperatuur;
lichamelijke klachten, bv. ziekte;
psychische moeilijkheden, bv. angst, spanning, depressie;
ingrijpende levensgebeurtenissen en dagelijkse zorgen.

Middagdutje

De meeste mensen zijn 's middags het minst alert. Een middagdutje kan dat moment overbruggen. Het kan een enorm verkwikkend gevoel geven en de slaapdruk op dat moment opheffen. Het is dus een goed idee om de dag helder door te komen als u 's nachts niet genoeg slaapt. Ook wie ziek is of zware inspanningen moet leveren, kan baat hebben bij extra slaap. Een halfuurtje is genoeg. Wie langer slaapt, komt in de diepe slaap en wordt moeilijker terug wakker. Een lange middagdut zorgt dan weer voor een slechte nachtrust. Mensen die 's nachts slecht slapen kunnen dus beter geen middagdutje doen.

Snurken

Eén op vier mannen en één op zeven vrouwen snurkt. Rokers, ouderen en zwaarlijvige mensen snurken meer. Het trillen van de zachte delen van de mond en de keel, het zacht gehemelte en de huig veroorzaakt snurken. Snurken is vervelend voor de partner die de slaap niet kan vatten, maar is ook niet altijd zonder risico voor de snurker zelf. Snurken kan immers wijzen op slaapapneu. De ademhaling valt dan gedurende 10 seconden tot zelfs 1 tot 1,5 minuut stil. Als het zuurstofgehalte gevaarlijk daalt, sturen de hersenen een alarmsignaal uit waardoor de spieren van de bovenste luchtwegen krampachtig aantrekken. De ademhaling komt dan weer schokkend op gang. Wie hier regelmatig last van heeft, is overdag suf en moe en valt af en toe in slaap. Dit zuurstofgebrek kan leiden tot hartziekten en beroerten. Elke snurker die overdag veel in slaap valt, raadpleegt dus best een dokter. Naargelang de oorzaak zijn verschillende behandelingen mogelijk: vermageren, minder alcohol drinken, stoppen met roken, een neusspray gebruiken, een goede slaaphouding aannemen (niet op de buik). Bij ernstige lichamelijke problemen kan de behandeling bestaan uit een neusklem of een apparaatje dat de tong op de plaats houdt, een apparaat dat de luchtdruk in de neus en de keelholte hoger maakt waardoor de luchtweg open blijft of een operatie.

Dromen

Iedereen droomt elke nacht ongeveer 20% van zijn slaaptijd. Dit gebeurt in de fase van de REM-slaap. Wie tijdens deze fase of onmiddellijk erna wakker wordt, kan zich nog iets van zijn droom herinneren.
De eerste droomslaap van de nacht is kort. Hoe later op de nacht, hoe langer de droomslaap. Tegen de ochtend kan een droom een uur duren.

Een aantal tips voor een betere nachtrust

Opnieuw leren slapen
Afgezien van sluimertoestanden, slaapt iemand wel of niet. Een tussenweg bestaat niet. Het is een soort grens die men overgaat. Of men deze grens overgaat, ligt aan vele factoren. Een kleinigheidje kan net genoeg zijn om niet de slaapgrens over te gaan. Of je wel of niet in slaap valt, heeft te maken met je activiteitsniveau. Ben je te actief, dan blijf je wakker. Zo simpel ligt het. De bedoeling is dus, om er voor te zorgen dat men minder actief wordt, zodat men kan gaan slapen. Een kleine verbetering kan al resulteren in net wel in slaap vallen. De voorwaarden voor een goede nachtrust, staan hieronder vermeld. Jouw taak is dus, om er voor te zorgen dat de slaapomstandigheden in orde zijn. Ga dus niet aan de gang met het slaapprobleem, maar met de oorzaken van de slaapprobleem. Dan komt de slaap vanzelf wel.

Waar moet je aan voldoen om goed te kunnen slapen

  • kamerinrichting: je slaapkamer dient om te slapen, daar hoort dus geen computer waar je nog wat hevige spelletjes op kan spelen, noch een TV die je weer probeert te boeien met een serie. Deze dingen horen niet in een slaapkamer thuis! Richt de slaapkamer zo in dat te veel geluid en licht de nachtrust niet kunnen verstoren. Een ideale slaapkamertemperatuur ligt tussen de 16 en 18°C. Zorg voor goede verluchting in de slaapkamer. Zorg voor een goede matras en een goed hoofdkussen.
  • Stilte: Dit is een zeer belangrijke voorwaarde voor een goede nachtrust. Ondanks het feit dat hersenen slapen, horen ze wel alles. Als de oren te veel of "verdachte" geluiden waarnemen, maken ze de slaper wakker. Dit alles is een natuurlijk verschijnsel. In de vrije natuur kan het voorkomen dat er levensgevaar is. Er zijn nog factoren die meespelen. 1) Herhaald wakker worden resulteert in weer moeilijker inslapen. 2) Als men prikkelbaar wordt van het (herhaaldelijke) lawaai, slaapt men ook moeilijker in. 3) Herhaaldelijk lawaai op hetzelfde moment (de buurman die telkens om 2.00 uur thuis komt) kan resulteren in makkelijk wakker worden op dat moment. Maar dat hoeft niet, want men kan er ook aan wennen gaan en dus niet wakker worden. Bepalend is meestal of men er zich aan gaat ergeren en bijvoorbeeld gaat opstaan (toilet, water drinken, uitschelden). Indien de omstandigheden het toelaten, adviseer ik om oorproppen te gebruiken (de wekker is dan ook zeer moeilijk te horen) als men van lawaai of geluiden wakker wordt. Meestal zal het gebruik tijdelijk zijn, want zodra men het vaste slaappatroon weer heeft, kan men meestal weer zonder.

  • De juiste temperatuur in de slaapkamer: Een koele en goed geventileerde slaapruimte verbetert het slapen en het inslapen. Bij een te warme slaapkamer kan het lichaam de warmte niet goed kwijt, waardoor men moeilijker zal inslapen. In het lichaam hebben we namelijk een soort thermostaat die de lichaamstemperatuur tijdens het slapen iets verlaagt. Kan het lichaam de temperatuur niet goed verlagen, dan wordt inslapen moeilijker.

  • Donker: Te veel licht in de slaapkamer is niet bevorderend, want onbewust wordt licht waargenomen en licht is een activerende factor

  • Geen planten in slaapkamer bij slaapproblemen: Planten produceren zuurstof en deze zuurstof is wel goed voor de gezondheid, maar veroorzaakt ook dat men geestelijk actiever wordt en dit is weer niet goed voor slaap.

  • Geen last van een partner: Onrustige partners en snurkers kunnen de nachtrust van iemand goed verknallen. Het gevolg is meestal slecht slapen. Wordt men vaak wakker, dan raakt men daardoor prikkelbaar en door die prikkelbaarheid, slaapt men nog moeilijker in. Deze irritatie versterkt alles dus ook nog eens. Apart slapen en oorproppen zijn vaak de enige hulpmiddelen, hoe vervelend dit ook kan zijn. Apart slapen resulteert in herstel van het normale slaappatroon. Zodra dit een feit is, kan men het weer eens samen proberen. Doordat men het vaste slaappatroon weer heeft, wordt men minder snel wakker van de partner en daardoor slaapt men misschien door de storingen heen.

  • Slaappatroon: Ieder levend wezen heeft een soort innerlijke klok (bioritme) die invloed heeft op de geestelijke activiteit. Deze klok is vrij precies en regelmatig. Verstoring hiervan kan slaapproblemen veroorzaken. Als men regelmatig leeft (vaste tijden voor alles), ontstaat slaap, wordt men wakker en heeft men perioden overdag waarbij men wat minder helder is (vaak in de namiddag). Uit onderzoeken is gebleken dat de meeste mensen de beste geestelijke prestaties leveren in de ochtenduren. Sommige mensen echter, presteren het beste in de avond en late uurtjes. Dit heeft gedeeltelijk te maken met ochtend- of avondmens zijnde en gedeeltelijk met gewoonte. Gewoonte is een sterkere invloed dan men denkt. Gewoonte kan een bepaald vast ritme veroorzaken. Hoe beter men zich aan een vast waak-slaapritme houdt, des te beter zal men inslapen. Dit is ook de reden dat men maandagochtend vaak meer moeite heeft met opstaan als men in het weekend uitslaapt. Door dan later op te staan, is men daardoor ook 's avonds pas later slaperig. In die twee dagen verschuift het ritme zich tijdelijk enigszins.

  • Doe geen middagdutjes als men slaapproblemen heeft 's nachts. En vermijd steeds langer blijven liggen 's morgens als men slecht geslapen heeft. De kans is dan namelijk vrij groot dat men de volgende nacht weer slecht slaapt want men is te uitgerust. Soms kan tussendoor even een minuutje indommelen al voldoende om 's nacht niet te kunnen slapen.

  • Vaste slaaptijden: Soms kunnen kleine aanpassingen al problemen gaan opleveren. Ga je bijvoorbeeld normaal gesproken om 24.00 uur naar bed en nu besluit je om 22.00 uur naar bed te gaan, "want je moet morgen extra vroeg op", dan is de kans vrij groot dat inslapen niet gaat. Hierover ga je je irriteren en daardoor kun je helemaal niet meer slapen. Tenzij je erg slaperig bent (dan lukt het misschien), kun je beter gewoon om 24.00 uur gaan slapen. De eventuele achterstallige slaap haal je wel weer in. Hier zorgen de hersenen wel voor. Tegen je vaste programma inwerken is op korte termijn niet makkelijk. Alleen als je het consequent volhoudt, kun je je waak / slaapprogramma omgooien. Waarschijnlijk heb je ongeveer twee weken daarvoor nodig. Zorg voor een vast slaapritueel. Iedere avond dezelfde handelingen uitvoeren vóór het slapengaan, geeft het lichaam het teken dat het bijna tijd is om te slapen.
  • Drinken: Wat je drinkt in de laatste uren voor je gaat slapen, speelt mee in het kunnen inslapen. Alle vocht waar activerende stoffen in zitten, bemoeilijken het inslapen. Vooral koffie, thee, chocolade en cola kunnen problemen gaan veroorzaken. Probeer dit niet meer te drinken vanaf 17 uur als u er gevoelig voor bent. Ze maken het inslapen moeilijker en verminderen de slaapkwaliteit. Wees zuinig met alcohol vóór het slapengaan. Alcohol verstoort immers het natuurlijke verloop van de slaap. De slaap is minder diep en u wordt vaker wakker.
  • Eten: De hoeveelheid voedsel in je lichaam voor het inslapen telt ook mee voor een wel of niet ongestoorde nachtrust. Eet geen zware of pikante maaltijden vóór het slapengaan. Zowel een overvolle als een lege maag kunnen de slaap verstoren.
  • Vermijd zo veel mogelijk stress als men slaapproblemen heeft. En hiermee bedoel ik alle stress. Een aantal hiervan zijn: ruzie, aan problemen denken, enge en spannende films en te veel sporten. Hoe actiever je bent (door wat voor oorzaken dan ook), des te moeilijker zul je inslapen. Door bepaalde oorzaken ontstaan er dan te veel stoffen in je lichaam die je actief maken. Deze stoffen afbreken heeft veel tijd nodig. Hoe meer van deze stoffen, des te langer het duurt voordat je tot rust gekomen bent en kunt gaan slapen. Het opwekken van deze activerende stoffen gaat veel sneller dan het afbreken ervan. Probeer je daarom ook om je zo weinig mogelijk druk te maken over van alles. Een lege maag, kan je prikkelbaarder maken dan gewoonlijk en daardoor ga je jezelf steeds meer opblazen. Een hapje eten kan je tot rust brengen.

  • Bereid je voor op de slaap: Dit doe je door alle spanningen te vermijden (zie hierboven) en alle omstandigheden optimaal maken. Zorg voor voldoende lichaamsbeweging overdag. Dat bevordert de diepe slaap. Kies 's avonds meer ontspannende activiteiten zoals zwemmen, yoga, wandelen in plaats van intensieve sporten zoals squash, aerobic, tennis. Bereid de nachtrust voor door een ontspannend boek te lezen, een bad te nemen, naar rustige muziek te luisteren of een beker warme melk te drinken. Stuur de gedachten vóór het inslapen. Concentreer op een aangename herinnering of belevenis in plaats van alleen op zorgen. Hoe eerder alles om je heen en in je tot rust komt, des te beter.
  • Lezen: Hoe ouderwets dit ook klinkt, het is nog steeds een goed slaapmiddel. Door ontspannende lectuur te lezen, komen je (probleem)gedachten tot rust.

  • Er zijn een aantal ongevaarlijke middelen om de slaap te bespoedigen. Melk en yoghurt bevatten stoffen die enigszins slaapopwekkend zijn. Daarnaast bestaan er homeopatische middelen en kruidenthee.

  • Een heet bad of douche kan zeer slaapbevorderend zijn. Het lijkt misschien of het oppept, maar dit is van korte duur. Daarna slaat de vermoeidheid toe. Maar niet direct het bed inkruipen, want dan zul je te veel last hebben van nazweten. Na het hete bad en douche, moet je eerst afkoelen. Dit doe je door zo weinig mogelijk kleren aan te trekken en uit de badkamer te gaan. Zodra je het koud genoeg hebt, kruip je het bed in.

  • Probeer niet te roken vóór het slapengaan. Nicotine bevordert de aanmaak van adrenaline. Dit is een stimulerende stof die de hersenen oppept en de bloeddruk doet stijgen. De slaap wordt onrustiger waardoor u 's morgens minder uitgerust bent
  • Slaapt u na een half uur nog niet. Sta dan weer op en ga iets anders doen tot u opnieuw moe wordt!!!

Slaapmiddelen

Als u een moeilijke periode doormaakt, kan het aangewezen zijn om tijdelijk slaapmedicatie te nemen. Experimenteer niet zelf met de slaapmiddelen van een familielid of vriend. Neem steeds contact op met de huisarts en respecteer de voorgeschreven dosis en duur van inname. Slaap- en kalmeermiddelen zijn immers scheikundige producten die de eigenlijke oorzaken van slecht slapen niet aanpakken. U mag ze daarom nooit gedurende langere tijd innemen. Ze kunnen wel tijdelijk helpen terug een goede regelmaat in het slaapritme te krijgen. Sommige geneesmiddelen verstoren het natuurlijk slaappatroon en verminderen de slaapkwaliteit. Vaak werken ze langer dan 8 uur zodat de stof zich opstapelt in het lichaam. Bij gebruik van die langwerkende producten wordt u overdag suffer en heeft u meer last van concentratiestoornissen. Langdurig gebruik kan tot gewenning leiden.

Drie belangrijke problemen duiken op bij langdurig gebruik van slaap- of kalmeermiddelen:

  • het risico op afhankelijkheid;
  • het feit dat slaapmiddelen niet meer werken na enkele weken;
  • de onderliggende oorzaak wordt niet aangepakt.

Afhankelijkheid kan lichamelijk of psychisch zijn. Lichamelijke afhankelijkheid betekent dat u het gebruik niet meer ineens kunt stopzetten. Doet u dit wel, dan treden 'ontwenningsverschijnselen' op. De meest frequente klachten zijn, paradoxaal genoeg, slapeloosheid, angst, prikkelbaarheid, concentratiestoornissen, enz ... Omdat deze ontwenningsverschijnselen sterk lijken op de redenen waarom u een slaapmiddel begon te nemen, kunnen ze de oorzaak zijn van een verder langdurig gebruik. Daarnaast bestaat ook een psychische afhankelijkheid: u neemt uw slaap of kalmeermiddelen overal mee, "uit schrik dat "voor het geval dat..."

Kwaliteit van de slaap

Slaapmiddelen bevorderen de overgang van waken naar lichte slaap, waardoor men sneller inslaapt. Het nadeel is echter dat slaapmiddelen de verdere natuurlijke slaapcyclus verstoren. Ze hebben met name een negatieve invloed op twee slaapfasen die van essentieel belang zijn voor de kwaliteit van de nachtrust: de droomfase en de diepe slaap.

De droomfase heeft als functie onze geest te verfrissen en ons toe te laten ervaringen die we tijdens de dag hebben opgedaan, te verwerken. Een (gedeeltelijke) onderdrukking van deze fase kan dus ons psychisch functioneren overdag beïnvloeden, je lichaam is minder goed uitgerust.

Nevenwerkingen

Naast het gevaar voor afhankelijkheid, de verdoezeling van de echte problemen en de nadelige invloed op de kwaliteit van de slaap, loopt men bij slaapmiddelengebruik ook altijd een risico op nevenwerkingen zoals een slaperig gevoel en sufheid 's morgens, vermindering van de concentratie en de reactiesnelheid, verminderd geheugen, enz.

De kans op nevenwerkingen vergroot met de ouderdom omdat men dan sowieso gevoeliger wordt voor de werking van geneesmiddelen. Oudere personen die slaapmiddelen gebruiken, lopen bij het opstaan 's nachts of 's morgens bijvoorbeeld een groter risico om te vallen en evt. een heup te breken.

Niet alleen berokkend het schade aan het lichaam en de hersenen, maar het is ook beperkt in zijn effectiviteit. Op den duur is de dosis niet sterk genoeg en daardoor moet men steeds meer gaan gebruiken. Men komt op deze manier steeds verder van een natuurlijke en gezonde nachtrust af.

Besluit: door het gebruik van slaapmiddelen krijgen zowel geest als lichaam minder kans om te recupereren, en dat is toch precies de functie van de slaap. Daarom mogen deze middelen niet chronisch gebruikt worden.


Reisapotheek   naar begin

In de wagen
  • Wettelijk verplichte verbandtrommel. Kijk of deze nog volledig is!
In de bagage:
  • je eigen chronische medicatie vb bloeddrukmedicatie, anticonceptiepil en dergelijke Een tip: een kleine voorraad van de medicatie die je dagelijks nodig hebt, steek je best in je handbagage als je met het vliegtuig reist. Zo ben je op alle onvoorziene omstandigheden voorbereid.
  • een pijn en koortwerend middel bv. Dafalgan, Perdolan, Panadol
  • een middel tegen reisziekte en/of een antibraakmiddel bv. Touristil, Motilium, Primperan
  • wondverzorgingssetje: ontsmettende zalf bv. Fucidin, Flamigel en pleisters
  • een preparaat tegen diarree vb Imodium
  • suiker-zoutoplossing in zakjes bv. ORS.
Zalven
  • anti-muggenprodukt, bv. Autan, Muggenmelk
  • tegen allergie, insektenbeten, oppervlakkige brandwonden bv. Flammazine, Fenistilgel
  • Tegen verstuikingen en blauwe plekken bv. Feldene gel, Voltaren emulgel

Malariapreventie   naar begin

Malaria is een ernstige aandoening die wordt overgedragen door muggen. Malaria komt voor in een groot deel van de wereld; zelfs in landen waar we op het eerste zicht niet aan denken en die toch toeristische toppers zijn zoals Egypte, Syrië, Israël, maar ook Turkije. Malaria is een aandoening die, indien niet of te laat behandeld, dikwijls de dood tot gevolg heeft. Daarentegen is de uitdrukking "eens malaria, altijd malaria", niet juist. Tijdig erkende malaria is meestal perfect te behandelen en komt niet meer terug. Daarom is het belangrijk om ten eerste aan goede preventie te doen (zie verder) en ten tweede om bij koortsaanvallen, die langer duren dan 48 uur, in de eerste maanden na terugkeer uit de tropen, steeds te denken aan malaria en dit te laten onderzoeken door uw huisarts

Waarom wordt er de laatste tijd zoveel over malaria gesproken? Het aantal gevallen is recent vermeerderd doordat malaria meer voorkomt dan vroeger in Derde Wereldlanden èn doordat het aantal reizigers naar die landen toeneemt. Voeg daarbij nog de toenemende resistentie ten opzichte van de klassieke anti-malaria-middelen en de verklaring is vlug gevonden.

Hoe kan malaria voorkomen worden?

Malaria kan voorkomen worden door op de volgende punten te letten:

  • uitwendige afweer tegen muggen: een goede uitwendige afweer vermindert de kans op steken met 80 procent. Het loont dus de moeite hier zeer goed voor te zorgen, want het is het belangrijkste van malaria-preventie
  • Medicatie: Aanval tijdig behandelen - vooral als je langer dan drie weken hebt gereisd. Wees daarom alert voor koortsopstoten ook als je terug thuis bent
Uitwendige afweer

De malariamug zoemt niet en steekt bij voorkeur tussen valavond en dageraad.
  • Draag 's avonds licht gekleurde kledij die armen en benen bedekt en niet te dun geweven is, draag eventueel een sjaaltje en/of kousen.
  • Breng op de niet bedekte delen een insektenwerende crème, spray of melk (op basis van DEET zoals Care Plus) aan. Herhaal dit om de vier à zes uur. Je kan een spray ook op de kleren aanbrengen.
  • Gebruik geen parfum, dit trekt insekten juist aan.
  • Ga niet in de buurt van water zitten, dit is een geliefkoosde plaats voor muggen.
  • Een muskietennet is niet duur en is 's nachts de beste preventie tegen muggesteken. (Niet alleen de malariamug valt je 's nachts lastig). Het net moet onbeschadigd zijn, controleer het goed elke avond. Steek de hoeken en de kanten goed vast onder het bed en sla de muggen aan de binnenkant eerst dood vóór je gaat slapen.
  • Apparaatjes die door (ultra)geluid de muggen op afstand (zouden) houden, zijn totaal waardeloos .
Medicatie

Het soort medicatie is afhankelijk van het bezochte land, de bezochte streken in dat land, het seizoen, het type reis en de verblijfsduur. In elk geval start je één week vóór vertrek en moet je de medicatie lang genoeg gebruiken na terugkeer namelijk vier weken. Voor gedetailleerde en recente info kan je bij je huisarts terecht

Tip: ook bij ons kan je in de zomer een muskietennet tegen muggebeten gebruiken. Ook voor kinderen zijn er speciale netten op de markt. Je kunt ze vinden in de gespecialiseerde kampeerzaak. De prijs schommelt rond de €25 voor een éénpersoonsbed, het dubbele voor een tweepersoonsuitvoering.

Vliegtuigreis   naar begin

Reizen is meestal wel leuk, zeker als je er voor kunt zorgen dat je enkele mogelijke pretbedervers te snel af bent. Bij vliegtuigreizen zijn er zo een paar dingen waar je beter op let. Zowel zware verkoudheden als tandbederf kunnen namelijk voor zeer vervelende problemen zorgen.

  • Infecties in het neus-, keel- en oorgebied worden best vóór het vertrek behandeld. Anders neem je tijdens de reis zelf een ontzwellend middel bv. neusdruppels met Efedrine voor de neusslijmvliezen. Een oraal preparaat dat de slijmvliezen ontzwelt, kan ook, maar is meestal wat slaapverwekkend (bv. Actifed, Sinutab, Naspert). Zo kan een acute middenoorontsteking vermeden worden. Door een verkoudheid kan tijdens een vliegtuigreis een verandering van druk ontstaan in het middenoor. Dan ontstaat er tractie op het trommelvlies en vochtophoping met pijn, suizen en gehoorverlies met eventueel perforatie van het trommelvlies
  • Wanneer je een suizend of pijnlijk gevoel hebt in je oren (door het naar binnen gezogen worden van het trommelvlies), dan helpt veel slikken (je drankje stapsgewijs opdrinken), kauwen met gesloten mond (kauwgom) en dichtgeknepen neus zodat de buis van Eustachius (verbinding oor-keel) zich opent en er weer lucht in het middenoor komt
  • Niet perfecte tandvullingen en kleine luchthoudende holten in rottende tanden kunnen problemen geven door plotse onderdruk met tandpijn als gevolg. De tand kan zelfs springen of de vulling kan eruit springen. Naar de tandarts dus vóór het vertrek
  • Bij lang stilzitten en vooral als de beenruimte beperkt is, kan de bloedcirculatie zodanig bemoeilijkt worden, dat er een risico bestaat voor aderontsteking (flebitis) en de vorming van bloedklonters. Dit laatste kan gevaarlijk zijn, want als men na de landing terug beweegt, kan deze klonter door het bloed worden meegevoerd naar de longen en daar longembolie veroorzaken. Zwangere vrouwen, mensen met aderspat of personen die reeds bloedklonters hebben gehad, lopen een hoger risico. Wat doen om dit te voorkomen
    • Als je behoort tot een risicogroep: draag elastische kousen en neem vooraf een aspirine. Dit laatste verdunt het bloed een beetje
    • Draag losse kleding en gemakkelijke ruime schoenen
    • Strek je benen éénmaal elke 20 à 30 minuten
    • Span en ontspan geregeld je buikspieren
    • Wandel elk uur enkele keren over en weer
  • Hart- en longpatiënten stoppen best enkele dagen vóór het vertrek met roken. Op die manier kan de koolstofmonoxideconcentratie (CO) in het bloed afnemen. Zo worden de rode bloedcellen beter met zuurstof bezet en minder met koolstofmonoxide. Op die manier is er minder gevaar voor een te laag zuurstofgehalte in het bloed tijdens de reis. Dat kan immers gevaarlijk zijn
jet-lag

Jet-lag is het geheel van symptomen of verschijnselen dat men ondervindt bij verre reizen met het vliegtuig. Men verplaatst zich dan immers zeer snel doorheen de verschillende tijdszones. Op enkele uren kan men zich verplaatsen van de ene zone naar een andere, waar de zon een veelvoud van diezelfde tijd voor nodig heeft. Daardoor wordt van het lichaam een aanzienlijke inspanning gevraagd om zich hieraan aan te passen. Het natuurlijke bioritme van ons lichaam is namelijk niet meer in overeenstemming met het slaap-waakritme dat aan de dag-nacht cyclus van de bestemming verbonden is. Daardoor ontstaat vermoeidheid, slapeloosheid, vermindering van de eetlust, hoofdpijn, obstipatie en dergelijke. Reken erop dat je één dag aanpassing nodig hebt per uur tijdsverschil. Dit wil zeggen reizen in noord-zuid richting geeft niet zo'n probleem bv. naar Afrika. Reizen in oost-west richting daarentegen wel bv. naar Azië of Amerika. Reizen naar Azië verkort je dag, reizen naar Amerika verlengt de dag. Verkorten is veel vermoeiender dan verlengen. U kan immers midden in de dag niet gaan slapen voor een verkwikkende slaap

Enkele tips om vóór een vliegtuigreis de symptomen van jet-lag te verminderen:

  • een drietal dagen evenwichtig eten en voldoende slapen
  • niet teveel koffie of thee drinken (cafeïne stimuleert en kan de aanpassing van het slaap-waak ritme vertragen).
  • Om de andere dag veel eiwitten en koolhydraten (vlees, deegwaren) eten en de andere dag heel sober

Tijdens de vliegtuigreis:

  • geen alcohol gebruiken

Tips na de vliegtuigreis:

  • ter plaatse zo vlug mogelijk de plaatselijke eet- en slaapritmen overnemen.
  • Bij slaapstoornissen eventueel een licht slaapmiddel gebruiken de eerste dagen. Spreek hierover met je huisarts

Reizigersdiarre of Turista   naar begin

Eén op drie reizigers naar (sub)tropische landen zal met één of andere vorm van reizigersdiarree te maken krijgen. Het is dan ook het meest voorkomende probleem op reis. In de meeste gevallen kan je het risico sterk verminderen door te letten op voeding en drank Hoe kan je het risico op reizigersdiarree verminderen ?

Drank
  • Water in flessen en andere dranken in flessen zijn veilig. Laat ze echter in je bijzijn openen (omwille van het mogelijke hergebruik van kroonkurken). Kies bij voorkeur gashoudende dranken, die zijn veiliger
  • Neem nooit ijsblokjes, want die zijn even veilig als het water waarmee ze gemaakt zijn
  • Alles wat gekookt is of te heet om er je hand in te steken (thee, koffie) is veilig
  • Poets ook je tanden met flessenwater
Zuiveren van water
  • Tabletjes bv. Micropur (smaakloos) zijn te verkrijgen in de handel. Je mag het water pas na een half uur drinken of gebruiken
  • Als je water wil koken, moet je met het volgende rekening houden. Kook het water gedurende minstens tien minuten. Verhoog deze tijd met één minuut per 300 meter boven de zeespiegel
  • Drinkrietjes met filter zijn waardeloos
Voeding
  • Alle voedsel dat voldoende gekookt of gebakken is en meteen verbruikt wordt, is veilig. Vermijd dus opgewarmd of warm gehouden eten
  • Koop geen etenswaren aan kraampjes
  • Fruit en noten die men zelf pelt (dik genoeg schillen) zijn veilig
  • Eet geen rauwe groenten, dus geen slaatjes
  • Eet geen ongekookte, niet gepasteuriseerde melkprodukten
  • Eet geen schaaldieren
  • Eet geen ijsjes of drink geen verse fruitsappen
  • Eet geen inwendige organen van vlees of vis
  • Eet geen rauwe eieren
Cook it, boil it, peel it or leave it
Wat je eet, moet je koken, bakken, schillen of laten

Let ook hierop
  • Was je handen voor je aan tafel gaat
  • Vermijd restaurants met veel vliegen
  • Twijfel je aan een bepaalde gelegenheid, bezoek dan eerst het toilet en als dat proper is, kan je aan tafel gaan; ook als er veel volk is, is de kans op vers eten groter
  • Als je bang bent om ergens te gaan eten, kies dan een Chinees restaurant uit. Dat is over de ganse wereld meestal veilig. Hun voedsel is immers goed gekookt en bovendien ook nog smakelijk
Wat doen als je toch geplaagd zit met diarree?
  • Voldoende drinken om uitdroging te voorkomen. Wat drinken ? Frisdranken (laten uitbruisen), licht gesuikerde thee, bouillon, rijstwater, water-zoutoplossing van een zakje (bv. ORS) of vruchtesap met één koffielepel zout en vier soeplepels suiker per liter
  • Zoute koekjes, bananen, rijst, licht eten bv. beschuiten, gekookte groenten, ...
  • Neem alleen medicatie (bv. Imodium) als er geen koorts of bloedverlies is. Dit geldt alleen voor volwassenen en oudere kinderen, geef kleine kinderen nooit Imodium
  • Als je diarree met bloed, etter en/of slijmen hebt of diarree die langer duurt dan twee dagen en gepaard gaat met koorts vanaf 38,5°C, dan moet je antibiotica nemen en geen Imodium. Contacteer hiervoor je huisarts. Deze zal je een antibioticum voorschrijven dat je in deze gevallen kan gebruiken

Zomerdiarree

In de zomer komt in deze streken ook relatief meer diarree voor. Deze wordt meestal veroorzaakt door het eten van besmet voedsel of door zwemmen in besmet water dat dan onvrijwillig wordt ingeslikt. Als het warm is, zal voedsel veel vlugger bederven. Dit komt doordat het eten (met de onvermijdelijke bacteriën) vlugger opwarmt en zo meer kans geeft aan de bacteriën om zich te vermenigvuldigen. Bij etentjes buiten of bij barbecue zet je de eetwaren dus best zo laat mogelijk op tafel en plaats je ze zo vlug mogelijk weer in de frigo. Pas op met restjes die je opdient. Het water kan besmet zijn in de buurt van riolen die in de zee uitmonden, in dicht bevolkte zwemvijvers of vijvers met veel eenden

Autoreizen / reisziekte   naar begin

Ook bij autoreizen, en zeker als ze wat langer duren dan een paar uur, is het belangrijk om voor de veiligheid op een paar dingen te letten

  • Het allerbelangrijkste is om ervoor te zorgen dat je nooit te lang achter elkaar in de auto blijft zitten. Dit geldt zowel voor de bestuurder als voor de passagiers
  • De concentratie verslapt na één à anderhalf uur, dan is het tijd dus om even kort te pauzeren (vijf à tien minuten) net zoals bij vergaderingen of studeren
  • De bloedcirculatie vermindert bij lang stilzitten, zeker als men op snelwegen rijdt aan een constante snelheid en dit niet in het minst bij de medereizigers. Het is nuttig om na enige tijd stilzitten (vijftien à twintig minuten) de benen wat te bewegen in de auto zelf (trappel- en fiets-bewegingen om de kuitspieren in beweging te brengen) en dan na anderhalf uur eens uit te stappen om de benen te strekken, een rondje te lopen, enz. Zo voorkom je zwaartegevoel, spataderen en bloedklonters, maar ook problemen met de concentratie, hoofdpijn en dergelijke
  • Als het heel warm is, zorg je best voor een afscherming van de zon achteraan en opzij. Er bestaan speciale gordijntjes, maar opzij volstaat een keukenhanddoek tussen het raam
  • Regelmatig drinken is noodzakelijk. Voor kleine kinderen is besproeien met een plantenspuitje een goed alternatief om voor afkoeling te zorgen. Vergeet niet dat je pas dorst krijgt als je al lang had moeten drinken. Zorg daarom voor een plas- én een drink-pauze als je lang onderweg bent. Het voorkomt allerlei kwalen, maar ook een slecht humeur en een slaperig gevoel. Wat is er immers vervelender dan op reis gaan met een slecht gehumeurde chauffeur of zeurende passagiers.

Reisziekte

Reisziekte is een verstoring van onze evenwichtsregeling. Men wordt wagen-, zee- of luchtziek als de informatie van de ogen, het evenwichtsorgaan en het spiergevoel (hoe bevinden de spieren zich in de ruimte) niet met elkaar in overeenstemming zijn. Men bevindt zich bijvoorbeeld in een gesloten ruimte zoals een vliegtuig waarbij men niet ziet waar men naar toe vliegt of een boot waarbij je de golven niet waarneemt met de ogen. Het resultaat is reisziekte met als voornaamste symptomen braken en misselijkheid. Nochtans zijn er een aantal tips die reisziekte wat kunnen temperen:

  • Neem plaats in de rijrichting
  • Stuur eventueel zelf in een bochtig parcours
  • Neem plaats in het voertuig daar waar je het minste last hebt van beweging dit wil zeggen bovendeks in een schip, boven de vleugels in een vliegtuig, vooraan in de bus, vooraan in de auto
  • Sluit je ogen of fixeer een weinig bewegend punt; kijk zeker niet naar snel voorbijvliegende landschappen
  • Leg je neer en sluit je ogen, of zit goed rechtop en beweeg het hoofd zo weinig mogelijk; kinderen geef je best een verhoogde positie in de wagen bv. op een kussen. De meeste kinderen zijn wagenziek, maar leren later de beweging kennen en zo vermindert het reisziek zijn geleidelijk aan
  • Blijf ver van andere zieke passagiers
  • Zorg voor voldoende verluchting en vermijd het gezelschap van rokers (kies niet-rokers in het vliegtuig).
  • Zet je niet in volle zon
  • Neem geen zware maaltijden en alcohol, maar eerder lichte, frequente maaltijden (bv. beschuiten, niet teveel vocht). Wat men serveert in de vliegtuigen is meestal niet overdadig, dit kan aanbevolen worden, met uitzondering van de alcoholische dranken

Gewenning aan reisziekte doet zich niet voor, helaas. Nochtans is het psychisch aspect belangrijk om de last ervan te milderen. Als de aandacht wordt afgeleid, treedt reisziekte of bewegingsziekte minder gemakkelijk op. Zorg voor afleiding onder de vorm van conversatie, maar lezen of breien is uit den boze, want dan ga je de symptomen nog verergeren. Het is immers belangrijk dat de ogen ofwel niets zien (ogen sluiten) ofwel hetzelfde zien als de spieren voelen (naar buiten kijken).

De medicatie tegen reisziekte is efficiënt en heeft weinig of geen bijwerkingen, tenzij soms wat slaperigheid. Let daarom op als je zelf een voertuig moet besturen. Het meest gebruikt zijn pillen die je een half uur tot één uur voor het vertrek moet nemen en bij lange reizen een nieuwe inname om de zes à acht uur (bv. Touristil).


Hitte(slag)   naar begin

Meestal vinden we het fijn als het in de zomer wat warmer is. Nochtans kan het soms een beetje teveel worden en dan spreken we over een hittegolf. Het is belangrijk om te weten welke gevaren er kunnen verbonden zijn aan een hete zomer

Hoe verdedigen we ons tegen de hitte?

  • Tot 25°C verliest men warmte zonder te zweten namelijk door verdamping van water doorheen de huid, verdamping via de luchtwegen en via contact van de huid met de lucht. Er zijn voldoende afkoelingsmogelijkheden, meestal is er bij deze temperatuur dus geen probleem
  • Als het meer dan 25°C is, verliest men vooral warmte door zweten
  • Als het meer dan 33°C warm is, verliest men alleen warmte door zweten. Het zweten is des te efficiënter als de vochtigheidsgraad lager is. Hoe hoger de vochtigheidsgraad, hoe moeilijker men zal afkoelen

Vanaf 25°C (en zeker vanaf 33°C) kan het lichaam in een toestand komen waarbij afkoeling niet zo goed kan gebeuren en dit kan gevaarlijk zijn. De gevaarlijkste toestand is die wanneer men in een vochtige atmosfeer, zonder wind, een hevige inspanning levert. Men kan niet afkoelen (geen warmte verliezen) én de spieren leveren extra warmte door de inspanning. Hierdoor kan de afkoeling van het lichaam in gevaar komen.

Te weinig drinken verergert de toestand nog omdat "er niets meer te verdampen valt". Vermijd tè langdurige inspanningen als het warmer is dan 25°C (en zeker als het meer dan 33°C) is. Ga op zo´n hete dagen niet te lang sporten en/of neem je voorzorgen. Drink voldoende èn regelmatig genoeg. Zorg voor luchtcirculatie onder de vorm van tocht, een ventilator en losse kledij. Verander niet telkens naar droge kledij, want de warmtewisseling is groter bij een nat shirt of hemd

Hoeveel moeten we drinken?

In normale omstandigheden in onze streken moet een mens twee en een halve liter vocht per dag drinken. Het lichaam haalt ongeveer één liter vocht uit de vaste voeding. We moeten dus nog anderhalve liter vocht drinken (bij voorkeur water). Dit komt overeen met een achttal glazen.
Bij inspanning tijdens grote hitte moet men 600 à 800 ml per uur drinken (dit zijn drie tot vier glazen) bij voorkeur speciale dorstlessers met suikers en zouten. Als men gewoon water drinkt, vermindert het zoutgehalte in het bloed waardoor het dorstgevoel vermindert én men meer moet plassen. Het is ook nuttig vóór de te leveren inspanning een drietal glazen te drinken

Welke ziekten kunnen optreden tengevolge van oververhitting?
  • Hittekrampen
    Spierkramp ter hoogte van ledematen en buikspieren. Dit wordt veroorzaakt door een zouttekort voornamelijk bij sportbeoefenaars die veel zweten en veel drinken, maar die onvoldoende zouten innemen.

    Wat doen ?
    Drink een halve liter water met een koffielepel zout en rust uit

  • Hitte-uitputting
    Ernstige zwakte gecombineerd met een oppervlakkige ademhaling, hoofdpijn, duizeligheid, beven, spiertrekkingen tengevolge van hevige lichamelijke inspanning die niet gecompenseerd wordt door drinken en zoutinname. Men zweet nog wel en heeft een bleke huidkleur. De lichaamstemperatuur bedraagt maximum 39°C.

    Wat doen ?
    De persoon in kwestie ontkleden, te rusten leggen in een frisse omgeving en zout water geven (één koffielepel per halve liter water).

  • Hitteslag
    Kan voorkomen wanneer een zware lichamelijke inspanning wordt uitgeoefend in vochtige hete lucht, maar ook bij iemand die in volle zon op het strand in slaap valt of bij een zuigeling in een oververhitte wagen of een bejaarde die te warm aangekleed in de zon zit. Men voelt zich algemeen uitgeput, duizelig, beverig en heeft last van spierzwakte. Er is echter géén transpiratie meer en de huid is rood en voelt droog aan. De lichaamstemperatuur kan meer dan 41°C bedragen.

    Wat doen ?
    De persoon onmiddellijk afkoelen én hospitaliseren!
    Afkoelen: ventilator, koude douche, vochtige doeken, ijsblokjes ter hoogte van liezen en hals. Geef geen koude dranken te drinken. In deze toestand kan dat gevaarlijk zijn!


Hoogteziekte   naar begin

Hoogteziekte kan optreden vanaf een verblijf van vier à acht uur boven 2.000 à 2.500 m. Meestal echter treden symptomen pas op vanaf 3.000 à 3.500 m. Vooral personen die rechtstreeks naar grote hoogten gaan (bv. met het vliegtuig) dienen de eerste dagen rustig ter plaatse te blijven en zeker geen alcohol en slaapmiddelen te gebruiken. De gevoeligheid voor hoogteziekte is individueel verschillend en wordt niet beïnvloed door fysische training of door reizen tevoren op grote hoogte. De begintekens zijn hoofdpijn, slapeloosheid, moeheid, geen eetlust, misselijkheid, droge hoest en kortademigheid. Het eindstadium is waterophoping in hersenen en longen en kan leiden tot levensbedreigende situaties

De belangrijkste boodschap is preventie

  • Verblijf eerst een twee- à drie-tal dagen rond 2.000 m
  • Eens boven de 3.000 m. stijgt men best niet meer dan 300 m. per dag. Als men last krijgt, blijft men best een dag ter plaatse en als het niet betert, moet men 500 m. dalen
  • Drink voldoende!
  • Eventueel kan preventief een waterafdrijvend middel helpen, maar dan moet men zeker verschillende liters drinken (bv. Diamox Sustets tweemaal per dag).

Anticonceptiepil   naar begin

Hoe moet je de pil nemen?

  • de eerste maal dat je met de anticonceptie pil begint , doe je dit op de 1e dag van je maandstonden
  • je neemt de pil best telkens op hetzelfde tijdstip van de dag, ofwel ´s ochtends of ´s avonds. Vb. leg je strip bij je tandenborstel zodat je er ook steeds aan denkt.
  • je neemt gedurende drie weken elke dag op hetzelfde tijdstip een pil in, nadien volgt dan de pilvrije week. In die 7 dagen krijg je je maandstonden, die meestal de 2e of 3e dag na je laatste pil begonnen en zijn niet altijd voorbij als je opnieuw met een strip begint.
  • Een nieuwe strip neem je iedere maand dus op dezelfde dag, vb telkens op een zondag
    21 dagen innemen » 7 dagen stop » 21 dagen innemen » 7 dagen stop …

Wat als je nog andere medicatie moet innemen?

Sommige medicijnen kunnen de werkzaamheid van de pil verminderen. Wanneer een arts andere medicijnen wil voorschrijven, vertel dan dat je de pil gebruikt. Vooral medicijnen voor epilepsie, fenobarbital en rifampicine zorgen voor een verminderde werkzaamheid van je pil, maar ook antibiotica en metronidazole (een middel voor vaginale infecties) zouden de werking van je pil kunnen verminderen. Als je Antibiotica moet nemen, gebruik je best tijdens je antibioticakuur en 7 dagen daarna aanvullende bescherming bij sexueel contact (vb een condoom), of als je in de laatste week van je pilstrip bent, ga je direct door met je volgende pilstrip en sla je je stopweek over.

Wat doen als je een pil bent vergeten innemen?

Indien je gedurende enkele dagen last hebt van overgeven en diarree, moet je erop bedacht zijn dat de pil niet zal zijn opgenomen om zijn werking uit te oefenen. Daarbij horen dan dezelfde onderstaande adviezen.

Slechts één dag de pil vergeten
Advies:
Alsnog de vergeten pil nemen en de strip verder afmaken; aanvullende maatregelen zijn niet nodig

Twee of meer pillen vergeten
Advies tijdens de 1e pil-week:
Pil vergeten in de 1e week (1e t/m 7e pil) Vergeten pil alsnog innemen, je pilschema afmaken en 7 dagen aanvullende anticonceptie (condooms) gebruiken. Als je geslachtsgemeenschap hebt gehad 7 dagen vóór het vergeten van de pil (stopweek meegeteld) is er kans op zwangerschap en heb je de morning-after-pil (Norlevo) nodig.
Advies tijdens de 2e week (8e t/m 14e pil)
Vergeten pil alsnog innemen, je pilschema afmaken. Er is géén aanvullende anticonceptie nodig (geen zwangerschapskans).
Advies tijdens de 3e week (15e t/m 21e pil)
Vergeten pil alsnog innemen, en zonder stopweek nieuwe strip starten. Géén aanvullende anticonceptie nodig. Of direct stopweek inlassen, en start na maximaal 7 stopdagen (inclusief de dag dat je een pil bent vergeten) een nieuwe strip. Als je moet overgeven of diarree hebt binnen 4 uur nadat je de pil hebt ingenomen, wordt deze pil als niet ingenomen gezien en moet je binnen 12 uur opnieuw een pil innemen.
Advies wanneer te laat begonnen met nieuwe strip
De laatst vergeten pil én de pil van de dag waarop je het beseft innemen. De pilstrip verder innemen op het normale tijdstip en de volgende 7 dagen een condoom gebruiken als je wil vrijen

Morning after pil (Norlevo)

Je hebt tot 72u na onveilig vrijen de tijd om een noodpil te gaan halen bij de apotheek. De kans dat je bij een correcte inname van de noodpil toch zwanger wordt is klein (1%). Tegelijk geldt dat hoe sneller je de noodpil inneemt, hoe efficiënter ze werkt. Elk uitstel van de eerste pil met 12 uur verhoogt de kans op zwangerschap met 50%. Je neemt ze daarom best zo vlug mogelijk in, ook al heb je 72 uur de tijd. De noodpil is dus een uitstekende reddingsboei, maar duidelijk minder betrouwbaar dan bijvoorbeeld de pil, de hormonale implant of het spiraaltje. De noodpil biedt alleen bescherming ingeval er iets is misgelopen in de afgelopen 72 uur, en niet voor de periode die daarop volgt, tot aan de volgende menstruatie. Als je wil vrijen, moet je zolang een condoom gebruiken. Je contacteert ook best je huisarts eens over een andere anticonceptiemethode die beter bij jou past.

Bescherming tegen Sexueel Overdraagbare Aandoeningen (SOA´s)

Seksueel overdraagbare aandoeningen (chlamydia, gonorroe, herpes (koortsblaasjes), HIV (aids), hepatitis B, genitale wratten, schaamluis, syfilis of trichomonas) zijn infecties die je kan oplopen via seksueel contact (oraal, genitaal of anaal) Sommige SOA´s hebben geen zichtbare symptomen, toch kunnen ze schade toebrengen aan je voortplantingssysteem zodat je mogelijks onvruchtbaar wordt. De pil beschermt je voor 99,9% tegen zwangerschap, maar de pil beschermt je niet tegen SOA´s. Het condoom is, als het correct gebruikt wordt, een goed middel om SOA´s en hun soms erge gevolgen op lange termijn te vermijden. Ook het beperken van het aantal verschillende partners waarmee je een seksuele relatie hebt, vermindert het risico op SOA´s. Het volstaat niet dat je vriend denkt dat zijn vorige vriendin ´veilig´ was. Zij was het misschien wel, maar jouw vriend kent het seksueel verleden niet van de andere mensen met wie zijn ex-vriendin seks gehad heeft. Blijf dus altijd voorzichtig! Als je risico hebt gelopen en je zorgen maakt dat je een SOA hebt opgelopen, is het heel belangrijk dat je dit laat onderzoeken door je huisarts. Uitgezonderd aids en herpes, kunnen SOA´s volledig worden genezen als je op de juiste wijze wordt behandeld.


Gynaecologisch onderzoek   naar begin

Wanneer je seksuele betrekkingen hebt is het verstandig om tussen de 20 en 25 jaar een eerste uitstrijkje van de baarmoederhals te laten nemen om (de voorstadia van) baarmoederhalskanker vroegtijdig te ontdekken. Deze vroege stadia geven meestal nog geen klachten, maar wanneer zo´n afwijking in een vroeg stadium wordt ontdekt kan je vroegtijdig (vaak weinig ingrijpend) worden behandeld, waardoor de kans op genezing heel groot is.

Hoe ontstaat baarmoederhalskanker?

Het virus HPV of Humaan Papilloma Virus ligt meestal aan de basis van baarmoederhalskanker. Dit virus wordt overgedragen via seksueel contact. Er zijn meer dan 100 verschillende stammen van het virus bekend. Deze vallen uiteen in twee grote groepen, namelijk deze die genitale wratten veroorzaken en deze die zich in de slijmvliezen nestelen. Ook in de tweede groep is er nog een onderverdeling tussen virussen met laag en met hoog risico op het ontwikkelen van baarmoederhalskanker. Het zijn vooral de HPV-types 16, 18, 31, 33 en 45 die als de kwaadaardigste beschouwd worden voor het ontwikkelen van baarmoederhalskanker. Zo´n 80 tot 85 % van de vrouwen komt ooit in contact met het virus. Wie met het virus besmet raakt, heeft er meestal geen last van omdat het immuunsysteem ertegen reageert door antilichaampjes aan te maken. Gebeurt dit niet, dan blijft men met het virus besmet en kan dat veranderingen aan de cellen van de baarmoederhals teweegbrengen. Deze zogenaamde voorlopercellen vertonen een aantal afwijkingen ten opzichte van gezonde cellen maar zijn nog ongevaarlijk. Door deze cellen weg te halen, kan de arts het ontstaan van kanker voorkomen.

Hoe evolueert de ziekte?

Tussen de virusinfectie en het voorstadium van baarmoederhalskanker verloopt meestal 4 tot 5 jaar. Deze voorlopercellen ontwikkelen zich zeer traag tot kanker. Het duurt gemiddeld tot 10 jaar na de infectie vóór er sprake is van kanker. In het begin zijn er geen symptomen. Daarom is actief opsporen van afwijkende cellen belangrijk. Na verloop van tijd krijgt men last van ongewone of bloederige afscheiding of echte bloedingen tussen twee menstruaties of na het vrijen. Toch kunnen hier ook andere oorzaken aan de basis liggen.

Vaccin tegen baarmoederhalskanker

Advies van de Hoge Gezondheidsraad:

  • Voor meisjes tussen 12-18 jaar wordt het vaccin terugbetaald. De terugbetaling geldt alleen voor meisjes die op het ogenblik van de eerste toediening minstens 12 jaar zijn maar nog geen 19 jaar. Het remgeld bedraagt €10,80 per injectie. Voor patiënten met verhoogde tegemoetkoming bedraagt het remgeld €7,20 per injectie.
  • Vrouwelijke adolescenten en jonge vrouwen tot en met 26 jaar die nog geen seksueel contact hebben gehad, en die nog niet gevaccineerd werden, kunnen zich laten vaccineren in overleg met de behandelende arts.
  • Het is aan de behandelende arts om op individuele basis te beoordelen of vaccinatie van vrouwelijke adolescenten en jonge vrouwen t.e.m. 26 jaar, die reeds seksuele betrekkingen gehad hebben, en nog niet eerder gevaccineerd werden, aangewezen is.
De baarmoederhalsscreening van de niet gevaccineerde vrouwen maar ook van de gevaccineerde vrouwen moet onverminderd verder gezet worden!!

Tijdig opsporen

Ook al is er een vaccin beschikbaar, toch blijft het nodig regelmatig een uitstrijkje te laten nemen omdat het vaccin niet alle gevallen van baarmoederhalskanker kan voorkomen. Het uitstrijkje is de enige manier waarop de arts nu afwijkingen die tot baarmoederhalskanker kunnen leiden, kan opsporen. Vrouwen vanaf 25 jaar die seksueel actief (geweest) zijn, laten het best tot hun 65ste een uitstrijkje nemen door hun huisarts of eventueel door de gynaecoloog. Op die manier kunnen de voorstadia van baarmoederhalskanker tijdig worden opgespoord en behandeld.

Hoe vaak een uitstrijkje?

Na het eerste baarmoederhalsuitstrijkje (ongeveer vanaf de leeftijd van 25 jaar) dient een controle uitgevoerd te worden na 1 jaar. Vanaf dan moet om de 3 jaar een baarmoederhalsuitstrijkje worden afgenomen. Na 50 jaar kan het onderzoek om de 5 jaar gebeuren op voorwaarde dat de vrouw regelmatig uitstrijkjes heeft laten afnemen en dat de laatste 3 uitstrijkjes geen afwijkingen toonden en van goede kwaliteit waren.

In volgende gevallen wordt aangeraden om jaarlijks een uitstrijkje te laten nemen:

  • bij een eerder afwijkend uitstrijkje
  • als u eerder al een behandeling van de baarmoederhals onderging
  • wanneer u genitale wratten hebt of had
  • als uw afweersysteem niet optimaal functioneert door het gebruik van geneesmiddelen of door ziekte

Tetanusvaccinatie volwassenen   naar begin

Tetanus ook wel bekend als kaakklem of wondkramp, wordt veroorzaakt door een bacterie, Clostridium tetani. Zodra die bacterie, die bijvoorbeeld in straatvuil zit, in een open wond(je) komt, kan iemand een tetanusinfectie oplopen. Ook door een dierenbeet kan iemand de ziekte krijgen.

Ziekteverschijnselen
De tetanusbacterie maakt gifstoffen die weefsels aantasten. Dat zorgt voor:

  • Stijfheid in de buurt van de infectie met steeds erger worden spierkrampen als gevolg van prikkels als harde geluiden, aanrakingen, kou, bewegen.
  • Kaakkramp, slikklachten, ademhalingsproblemen.
  • Kramp in alle skeletspieren, soms zo erg dat iemand als een hoepel achterover kromtrekt en niet meer kan ademen.

Complicaties

  • Door aantasting van het spier- en zenuw stelsel kunnen onder meer botbreuken, hoge bloeddruk en hartritmestoornissen ontstaan.
  • Soms overleven patiënten alleen door langdurige narcose of kunstmatige beademing. Dat kan weer zorgen voor trombose of longontsteking, waaraan iemand ook kan overlijden.
Zonder behandeling is tetanus altijd dodelijk! Bij een goede behandeling ligt de sterfte rond de 20%. Een intensive care behandeling is nodig om te herstellen met zo min mogelijk schade aan de vitale functies.

Het tetanusvaccin is bijna 100% effectief na een volledig doorlopen vaccinatieschema (basis- en herhalingsvaccinaties).

Herhalingsinjecties worden aanbevolen om de 10 jaar!!
Indien langer dan 20 jaar na een herhalingsinjectie, wordt het basisvaccinatieschema opnieuw opgestart waarbij je terug 3 inentingen moet krijgen.

Dit vaccin is gratis te verkrijgen in de huisartsenpraktijk. Vergeet je dus niet te laten vaccineren en kom hiervoor langs!